Er was eens een jonge man, Sam, met ogen zo blauw als de lucht en een glimlach die straalde als de zon. Op een dag wandelde Sam door het zachte gras in het bos. De bomen fluisterden zachtjes: “Kom, Sam, kom!” Sam luisterde en volgde het geluid.
Plots zag hij een klein lichtje dansen tussen de bloemen. Het was een fee, zo klein als een vlinder. “Hallo, Sam,” fluisterde de fee, “volg het licht.” Sam knikte en volgde het feeënlicht. Het licht sprong over het mos, langs kabbelende beekjes en onder grote, groene bladeren. Overal waar het licht danste, groeiden bloemen.
Onder een grote paddenstoel zat een glimworm. “Dag, Sam,” zei de glimworm, “durf jij door het donkere bos?” Sam voelde zijn hart een beetje sneller kloppen, maar hij zei: “Ik ben dapper. Ik ga mee.” Samen met het lichtje en de glimworm liep Sam door het donkere bos. Overal waar hij stapte, verscheen een beetje licht.
Aan het einde van het bos vond Sam een prachtige, gouden bloem. De bloem sprak: “Omdat je dapper was en goed luisterde, mag je deze bloem meenemen. Met deze bloem kun je altijd licht vinden, zelfs als het donker is.”
Sam glimlachte. “Dank je wel, lieve bloem,” zei hij zacht. Sam liep terug naar huis, met de gouden bloem in zijn hand. En altijd, als het donker werd, straalde zijn bloem warm licht. Zo leerde Sam: als je dapper bent en lief bent, vind je altijd je weg.