Er was eens een jongen genaamd Finn. Finn woonde in een betoverd bos. Op een dag zei een kleine elf: "Finn, kom mee!" Finn keek verwonderd. "Waarheen?" vroeg hij. "Naar het magische kasteel," glimlachte de elf.
Finn volgde de elf langs glinsterende bloemen. "Kijk, Finn," zei de elf, "een gouden poort!" Finn keek omhoog. De poort was groot en mooi. "Zullen we binnengaan?" vroeg de elf. "Ja!" riep Finn blij.
Binnen was alles stralend. De muren glinsterden als sterren. "Wow," zei Finn, "het is prachtig!" De elf lachte en zei: "Dit is waar dromen wonen."
Plots verscheen een vriendelijke draak. "Hallo, Finn," bromde de draak zachtjes. "Wil je een ritje maken?" Finn knikte enthousiast. "Ja, graag!"
De draak vloog met Finn hoog boven het bos. "Kijk daar," wees de draak, "de regenboogvallei!" Finn keek en zag alle kleuren dansen. "Wat mooi!" riep Finn.
Terug op de grond zei de elf: "Je was moedig, Finn." Finn glimlachte. "Dank je," zei hij. "Nu weet ik dat ik dapper ben."
De elf knikte. "Dapper en wijs. Vrienden maken de wereld magisch."
Finn lachte en omhelsde de elf. "Ik kom snel terug," beloofde hij.
En zo leefde Finn gelukkig, met nieuwe vrienden en een hart vol magie.