In het zachte bos, waar het licht dansde en de blaadjes fluisterden, woonde een vriendelijke vrouw. Zij heette Lila. Lila droeg altijd een blauwe jurk en lachte zachtjes: “hihi.” Haar schoenen gingen “tik-tik” als ze liep over het pad.
Op een ochtend hoorde Lila “tsjiep-tsjiep.” Er zat een klein vogeltje op haar raam. “Dag vogeltje,” zei Lila. Het vogeltje hipte vrolijk met zijn staart: “Flapflap.” Lila gaf hem wat brood. “Smak smak,” at het vogeltje blij.
Lila liep het bos in. Ze hoorde “plons!” in het beekje. In het water lag een kikker. “Ribbit!” zei de kikker. “Dag kikker,” lachte Lila. Ze zwaaide met haar hand. De zon straalde en alles glinsterde als gouden stipjes.
Plotseling zag Lila een groot blad op het pad. Het bewoog: “wiebel wiebel.” Onder het blad zat een muisje. “Piepiep!” piepte het muisje. Lila boog zich en zei: “Dag muisje, alles goed?” Het muisje knikte. Lila streek zachtjes over zijn kopje. Alles was weer fijn.
Lila wandelde verder, haar jurk zwierde. De bloemen wiegden in de wind: “zoef zoef.” Vlinders fladderden: “flap-flap.” Lila lachte en riep: “Oh, wat mooi!” De bomen riepen terug: “whoesj.” Overal was magie, het leek wel of het bos zong.
Aan het einde van het pad vond Lila een klein paars bloemetje. Het bloemetje riep: “pliep!” Lila bukte, rook eraan: “mmm.” Het rook zoet als honing. “Dankjewel, bloemetje,” zei ze zacht. Ze gaf het water. Het bloemetje straalde helder.
Toen liep Lila terug naar huis. Al haar dierenvriendjes zwaaiden: “Dag Lila!” Haar hart glansde als de maan.
Magie is overal, als je zacht en lief kijkt naar de wereld om je heen.