Er was eens een lieve man. Hij woonde in een klein huisje, tussen de bloemen en de bomen. Elke ochtend keek de zon door zijn raam en glimlachte zacht. De man hield van wandelen. Hij liep langzaam, zijn voeten zacht in het gras. Vogels zongen voor hem en vlinders dansten om zijn hoofd.
Op een dag vond de man een klein lichtje in het bos. Het lichtje was warm en zacht. “Hallo, lichtje,” zei de man. Het lichtje wiegde heen en weer. Samen liepen ze verder, het lichtje voorop. Het gras glansde, de bomen straalden. Alles was vrolijk.
De man was blij met zijn nieuwe vriend. “Dankjewel, lichtje,” zei hij. Samen spraken ze met de bloemen. De bloemen fluisterden zacht. De man lachte. Het lichtje glansde nog meer. Ze vonden een klein beekje. Het water rimpelde en zong een liedje. De man luisterde en het lichtje wiegde op het water.
Aan het einde van de dag liep de man terug naar huis. Het lichtje bleef bij hem. Ze waren samen veilig en warm. De sterren kwamen en knipoogden. De man en het lichtje sliepen zacht.
Samen zijn maakt alles mooi.