In het zachte licht van de vroege ochtend loopt een man door het bos. De bomen zingen zachtjes. De man luistert. “Hallo bomen,” zegt hij. De bomen zwaaien met hun takken.
De man ziet een klein pad vol glinsterende steentjes. Hij volgt het pad. De steentjes knipperen als kleine sterretjes. De man lacht. Zijn hart voelt warm.
Hij komt bij een heldere vijver. In het water dansen kleuren. De man gaat zitten en kijkt. Een vlinder vliegt zachtjes naar hem toe. “Dag vlinder,” zegt de man. De vlinder landt op zijn hand. Ze glimlachen samen.
Aan de rand van het water groeien blauwe bloemen. De man ruikt eraan. “Wat ruiken jullie lekker,” zegt hij. De bloemen wiegen zachtjes heen en weer.
Plots ziet de man een klein lichtje onder een blad. Het is een fee. Ze zwaait met haar toverstafje. “Kom,” zegt de fee. Samen lopen ze verder door het bos.
Op een open plek groeien sterren aan een struik. De man mag een ster plukken. Hij houdt de ster dicht bij zijn hart. Het lichtje maakt hem blij.
De zon komt op. Alles straalt. De man zegt: “Dank je wel, bos.” De bomen fluisteren zacht. De man loopt rustig naar huis.
Goed doen en lief zijn laat het licht in je hart groeien.