Luca is één jaar oud. Luca heeft vakantie. Het is zomer. De zon schijnt. Luca is blij.
Mama zegt: "Luca, wil je schilderen?" Luca knikt. Mama geeft Luca een groot vel papier. Het papier is wit. Luca krijgt verf. Rode verf, gele verf, blauwe verf. Veel kleuren.
Luca pakt de rode verf. Hij maakt een streek. "Rood," zegt mama vrolijk. Luca lacht. Hij pakt de gele verf. Nog een streek. "Geel," zegt mama. Luca is trots.
Papa komt binnen. "Wat een mooi schilderij, Luca!" zegt papa. Luca klapt in zijn handen. Hij is blij.
Na het schilderen wast mama Luca's handen. "Schone handen," zegt mama. Luca lacht.
Papa zegt: "Luca, wil je een toren bouwen?" Luca knikt. Papa geeft Luca blokken. Rode blokken, gele blokken, blauwe blokken.
Luca stapelt de blokken. Eén, twee, drie blokken. "Hoge toren," zegt papa. Luca is blij. De toren valt. Luca lacht. Hij bouwt weer.
De zon gaat onder. Het wordt avond. Mama zegt: "Luca, het is tijd om te eten." Luca knikt. Ze eten samen. Mama, papa en Luca.
Na het eten zegt mama: "Bedtijd, Luca." Luca geeuwt. Hij is moe. Mama legt Luca in bed. "Slaap lekker," zegt mama. Papa zegt: "Droom mooie dromen, Luca."
Luca sluit zijn ogen. Hij denkt aan zijn schilderij en zijn toren. Hij glimlacht. Luca slaapt. Het is een fijne zomerdag geweest.