Lena en Noor zijn twee kleine meisjes. Ze zijn 18 maanden oud. Het is zomer. De zon schijnt. Lena en Noor gaan naar het kamp. Het kamp is leuk.
Lena lacht. Noor lacht. Ze zien een grote bal. "Bal!" zegt Lena. "Bal!" zegt Noor. Ze rennen naar de bal. Ze schoppen de bal. De bal rolt weg. Ze rennen achter de bal aan. Rennen is leuk.
Daar is een tafel. Op de tafel ligt papier. Er zijn ook verf en kwasten. Lena pakt een kwast. Noor pakt ook een kwast. Lena maakt een rode lijn. Noor maakt een blauwe lijn. Ze maken mooie kunst. Kunst is leuk.
Het is tijd voor een picknick. Lena en Noor zitten op een deken. Er zijn appels en broodjes. Lena eet een appel. Noor eet een broodje. Eten is leuk.
Na de picknick gaan Lena en Noor naar de speeltuin. Er is een glijbaan. "Glijbaan!" zegt Lena. "Glijbaan!" zegt Noor. Ze klimmen omhoog. Ze glijden naar beneden. Glijden is leuk.
Het wordt donker. De sterren komen tevoorschijn. Mama's komen. "Het is tijd om naar huis te gaan," zegt Lena's mama. "Ja, tijd om te gaan," zegt Noor's mama. Lena en Noor zwaaien naar hun nieuwe vrienden.
Thuis vertelt Lena mama over de dag. "Bal, kunst, glijbaan," zegt Lena. Noor zegt ook tegen mama: "Bal, kunst, glijbaan." Mama lacht. "Wat een mooie dag," zegt mama.
Lena en Noor zijn blij. Ze gaan slapen. Morgen is er weer een dag vol avontuur. Zomer is leuk. Slaap lekker, Lena en Noor. Slaap lekker.