Lars kijkt naar de lucht. De zon schijnt. Het is warm. "Mama, zon!" zegt Lars.
Mama glimlacht. "Ja, Lars. Het is een mooie dag. We gaan naar het park."
Lars klapt in zijn handen. "Park! Spelen!"
In het park ziet Lars veel mensen. Kinderen rennen. Ze lachen. "Mama, kijk!" zegt Lars.
"Ja, ik zie het," zegt mama.
Lars ziet een grote boom. "Boom, mama! Klimmen!"
Mama zegt: "Ja, maar voorzichtig, Lars. Ik ben bij je."
Lars klimt voorzichtig. "Hoger, mama!" roept hij.
Mama lacht. "Goed zo, Lars! Je doet het heel goed."
Lars kijkt om zich heen. Hij ziet vogels vliegen. "Vogels, mama! Piep, piep!"
"Ja, schat. De vogels zijn vrolijk," zegt mama.
Lars gaat naar de glijbaan. "Glijden, mama! Help!"
Mama helpt Lars. Ze duwt hem zachtjes. "Glijd maar, Lars!"
Lars glijdt naar beneden. "Woehoe!" roept hij blij.
"Goed gedaan, Lars!" zegt mama.
Na het spelen krijgt Lars een ijsje. "IJsje, mama!" zegt hij met grote ogen.
"Ja, een lekker ijsje," zegt mama.
Lars liket het ijsje. "Mmm, zoet!" zegt hij.
De zon gaat onder. Het is tijd om naar huis te gaan. "Mama, nog een keer park?" vraagt Lars.
"Ja, morgen weer," zegt mama met een lach.
Lars is blij. "Morgen park!"