Een klein jongetje kruipt in de kamer. Hij is één jaar. Hij kijkt rond. Zijn blokje is weg. Oh! Een klein mysterie.
Mama zegt zacht: "Waar is het blokje?" Papa lacht. "We gaan zoeken." Het is een spel.
Het jongetje wijst. Zijn vingertje gaat naar de deur. Samen kruipen ze. Ze zoeken op de mat. Geen blokje. Ze zoeken bij de stoel. Geen blokje. Ze kijken onder de bank. Geen blokje. Het is spannend maar fijn.
Mama vindt een vlek van jam. Papa zegt: "Misschien is het blijven plakken." Het jongetje klapt in zijn handjes. Hij klopt zacht op de kast. Een muis? Nee, geen muis. Het is een knuffelbeer. De beer heeft witte kruimels. De beer lacht niet. Hij heeft blokken op zijn buik. "Misschien rust het blokje hier," zegt mama.
Ze bedenken een plan. Ze maken een rij. Papa kijkt hoog. Mama kijkt laag. Het jongetje kruipt langs. Samen zoeken ze nog eens. Ze tellen de blokken die ze vinden. Eén, twee, drie. Het laatste blokje ontbreekt.
Ze luisteren. Stil. Dan hoort papa een zacht geluid. Het klinkt van de wasmand. "Hoort dat?" zegt mama. Het jongetje zegt: "Da!" Zijn stem is blij. Ze kijken in de mand. Daar liggen sokken. En daar ligt het blokje! Het zit tussen zachte sokken.
Het jongetje lacht. Hij pakt het blokje en stopt het in zijn mond. Mama zegt: "Niet in de mond, lieve schat." Ze geeft een schone doek. Papa zegt: "We wassen het blokje." Ze maken het blokje schoon met veel water. Het blokje is klaar om te spelen.
Ze vieren de vondst. Iedereen klapt. Het jongetje bouwt een toren. De beer kijkt toe. De sokken zitten weer in de mand. Alles is netjes.
Later zingen ze samen. Het huis is blij. Het mysterie is opgelost met hulp en kijken en luisteren.
Samen zoeken helpt altijd.