Lars is drie jaar oud. Het is zomer. Lars is thuis. Mama zegt: "Wat wil je vandaag doen, Lars?" Lars denkt even na. "Ik wil schilderen!" zegt hij blij.
Mama haalt papier en verf. Lars begint te schilderen. Hij maakt een zon. Een grote gele zon. "Kijk, mama!" roept Lars. "De zon is blij!" Mama lacht. "Ja, de zon is heel blij," zegt ze.
Na het schilderen wil Lars iets anders doen. "Wat nu, Lars?" vraagt mama. Lars denkt weer. "Ik wil een toren bouwen!" zegt hij. Mama pakt blokken. Lars stapelt de blokken hoog. Heel hoog. "Kijk hoe hoog!" zegt Lars trots. "Heel hoog, Lars," zegt mama. "Wat een mooie toren."
In de middag gaan Lars en mama naar de tuin. "Laten we bloemen zoeken," zegt mama. Lars loopt rond. Hij ziet rode bloemen. Gele bloemen. Blauwe bloemen. "Ik zie veel kleuren!" zegt Lars. "Ja, veel mooie kleuren," zegt mama.
Na het eten is het tijd voor een verhaal. Mama leest voor. Lars luistert. Hij vindt het leuk. Het verhaal gaat over een avontuurlijke kat. "Wat een leuke kat," zegt Lars. "Ja, een heel leuke kat," zegt mama.
Als het bedtijd is, zegt Lars: "Vandaag was leuk." Mama knikt. "Ja, Lars. Zomer is leuk. We maken mooie herinneringen." Lars glimlacht. Hij is blij. Morgen is er weer een nieuwe dag vol avontuur.
Lars sluit zijn ogen. Hij droomt van de zon. Van torens. Van bloemen. En van de kat. Alles is fijn. Alles is goed.
Slaap lekker, Lars. Morgen is er weer een zomerdag.