Er was eens een vrolijke kleine draak. Zijn naam was Bliksem. Bliksem had mooie, glanzende schubben en een grote, blije glimlach. Het was zomer en Bliksem was heel enthousiast!
“Vandaag ga ik op avontuur!” zei Bliksem. Hij vloog hoog de lucht in. De zon scheen helder. Bliksem zag een prachtig park. “Wat leuk!” riep hij.
In het park waren veel kinderen. Ze speelden met ballonnen en renden rond. “Hallo!” zei Bliksem. “Mag ik meedoen?” De kinderen keken op en lachten. “Ja, kom spelen!” zeiden ze. Bliksem was zo blij!
Ze speelden samen. Ze gooiden ballen, renden en dansten. Bliksem flapte met zijn vleugels. “Dit is leuk!” zei hij. “Ja, heel leuk!” lachten de kinderen.
Na het spelen, gingen ze picknicken. Bliksem had lekkere fruitjes meegenomen. “Wil je wat?” vroeg hij. “Ja, lekker!” zeiden de kinderen. Ze aten samen en lachten veel. Bliksem vertelde verhalen over zijn avonturen in de lucht.
“Wat een mooie dag!” zei Bliksem. “Ja, heel mooi!” antwoorden de kinderen. Ze speelden nog meer en maakten nieuwe vrienden. Bliksem voelde zich gelukkig.
De zon begon onder te gaan. “Het is tijd om naar huis te gaan,” zei Bliksem. “Maar ik kom terug!” De kinderen zwaaide. “Tot snel, Bliksem!”
Bliksem vloog naar huis met een grote glimlach. “Zomer is leuk!” dacht hij. “Vrienden maken is fijn!”
En zo eindigde de dag, maar de avonturen gingen door. Bliksem wist dat elke dag in de zomer vol wonderen zat.