Timo is één jaar. Buiten is het koud. Binnen is het warm. De lampjes aan de boom glimmen zacht.
Timo zit op een kleed. Hij heeft een rode sok in zijn hand. Mama zit dicht bij hem. Papa ook. Op tafel staat warme thee. Timo ruikt koekjes.
“Boom,” zegt Timo.
“Ja,” zegt mama. “Kerstboom.”
Timo kruipt naar de boom. Hij tikt een bal aan. De bal is rond en rood. Hij wiebelt een beetje.
“Oei,” zegt papa. Hij zet zijn hand erbij. “Zo. Zacht.”
Timo lacht. “Bal!”
Mama geeft Timo een kleine ster. De ster is van zacht vilt. Geen scherp. Timo knijpt erin.
“Ster,” zegt mama.
“Ster,” zegt Timo.
Samen hangen ze de ster laag, waar Timo hem kan zien. De lampjes maken kleine puntjes licht op zijn wangen.
Dan hoort Timo “ting-ting”. Het komt van bij de deur. Daar ligt een belletje. Het is klein en goud.
“Kijk,” zegt papa. “Een bel.”
Timo pakt de bel. “Ting!” Hij schudt nog eens. “Ting-ting!” Hij glimlacht groot.
Mama zet rustige muziek aan. Het klinkt zacht, als sneeuw die valt. Papa haalt een bord met koekjes. Er zijn sterren en maantjes.
“Koek,” zegt Timo.
“Eén koekje,” zegt mama. Ze geeft hem een klein stukje. Timo proeft. Zoet. Hij klapt in zijn handjes.
Bij het raam ligt een beetje sneeuw op de rand. Mama houdt Timo op haar arm. Ze wijzen naar buiten.
“Sneeuw,” zegt papa. “Wit.”
“Wit,” zegt Timo.
Terug op het kleed maakt papa een klein pakje open. Niet groot. Een zacht knuffeltje, een rendier. Het heeft een rood neusje.
“Rendier,” zegt papa.
Timo drukt het rendier tegen zijn wang. Zacht. Warm.
De lampjes glimmen. De bel zegt nog één keer “ting”. Timo gaapt. Mama tilt hem op.
“Slaap,” zegt mama.
Timo houdt het rendier vast. In bed voelt hij de winter stil en lief.
Samen is Kerst het fijnst, want warme handen maken elk klein moment mooi.