De sneeuw glinstert zacht op het pad. Drie kleine jongens zitten in een warme kamer. Ze zijn één jaar. Hun wangetjes zijn rood van de lucht. Een grote zachte deken omhelst hen.
Mama zet lichtjes in de boom. Kleine ballen klinken zacht. Papa zingt een zacht liedje. "Kijk," zegt één jongen. "Kijk," zegt de tweede. "Kijk," zegt de derde. Hun handen wijzen naar het licht.
Ze rollen een klein houten eendje. Het eendje tikt, tikt, tikt op de vloer. Ze lachen. Hun lacht klinkt als bellen. Buiten blaast de wind een zacht lied. Binnen is het warm en stil.
Mama geeft warme melk in een klein bekertje. Ze proeven en blazen. "Mmm," zegt een jongen. Papa veegt hun mond met een zacht doekje. Een klein knuffelbeer ligt naast hen. De beer houdt hen vast. Geen brok angst. Alleen rust.
Later maken ze een sneeuwbal, maar dan met warme handen op de vensterbank. Ze kijken naar de sterren. Eén ster knippert en lijkt te dansen. De drie jongens zwaaien met hun handjes. Hun ogen glanzen als lichtjes.
De klok tik, tik, tik. Tijd voor een zacht bedje. Mama legt hen neer. Papa fluistert een wens. Ze slapen snel, met een glimlach.
Een warm licht houdt hen dicht; samen is elk feest zacht en veilig.