Lena en Sam zijn vier. Buiten valt zachte sneeuw. Binnen is het warm. De lampjes in de kerstboom knipperen: aan, uit, aan.
Lena ruikt koekjes. “Mmm, koekjes,” zegt ze. Sam lacht. “Voor de kerstman,” zegt hij. Ze zetten een bord op tafel. En ook een klein kopje melk.
Op de vloer ligt een rode sok. “O nee,” zegt Sam, “mijn sok is leeg.” Lena kijkt. “Misschien is hij verlegen,” zegt ze. Sam giechelt.
Ze pakken samen glitters. Ze strooien een beetje op de sok. Het glimt als sterretjes. “Kijk, sok, jij bent mooi,” zegt Lena. Sam knikt. “Nu durf je vast.”
Dan horen ze een zacht belletje. Ting ting. Het komt van bij het raam. Daar zit een klein vogeltje, rond en wit. Het trilt een beetje.
Sam doet het raam een klein stukje open. “Kom maar,” zegt hij. Lena houdt een kruimel koekje vast. Het vogeltje hipt naar binnen, pikt, en kijkt blij.
Lena pakt een mini sjaal van de pop. “Voor jou,” zegt ze. Ze legt hem zacht om het vogeltje. Het vogeltje piept: “Piep!”
Ting ting. Nog een belletje. Onder de boom ligt ineens een klein pakje. Op het pakje staat: Voor Lena en Sam.
Ze maken het open. Twee zachte mutsen! “Ho ho ho,” fluistert de wind. Lena en Sam kijken elkaar aan en knuffelen.
Samen delen maakt kerst warm van binnen.