Het is kerst. Buiten valt zachte sneeuw. Plok, plok. In het bos glanst alles wit.
Kleine Wolf woont in een warm hol. Er brandt een klein kaarsje. Flik-flak. Mama Wolf roert in de pan. “Roer-roer,” doet de soep.
“Het ruikt lekker,” zegt Kleine Wolf.
“Ja,” zegt mama. “Kerstsoep. En straks de boom.”
Kleine Wolf huppelt. “Hop! Ik wil helpen!”
Samen lopen ze naar een klein dennetje bij het hol. Papa Wolf draagt een doos. Tok-tok, de doos tikt tegen zijn poot.
In de doos zitten lampjes. “Klik,” zegt papa, en de lampjes gaan aan. Geel licht, warm licht. Kleine Wolf klapt in zijn pootjes. “Ooo!”
Kleine Wolf hangt een ster bovenin. “Plof,” zegt de ster, hij zit vast. Dan kleine ballen: rood, groen. “Tik-tik,” ze dansen zacht.
Maar oei… één lampje doet niets.
Kleine Wolf kijkt. Mama knielt erbij. “Kijk,” zegt ze. Ze draait het lampje. “Klik.” Nu schijnt het ook. “Goed zo,” zegt mama.
Dan zetten ze koekjes op een bord. “Knap-knap,” zegt Kleine Wolf als hij proeft. Ze zingen heel zacht. “La-la-la.”
Buiten komt een belletje. “Ting-ting.” Een klein rendier staat bij de deur, met een kaartje: “Vrolijk kerstfeest!”
Kleine Wolf lacht. Hij zwaait. Het rendier huppelt weg. Hop-hop.
Binnen is het warm. De boom blinkt. De soep pruttelt. Kleine Wolf kruipt tegen mama aan en gaapt. “Fijne kerst,” fluistert hij.
Als je samen helpt, wordt kerst licht en lief voor iedereen.