Op een mooie lenteochtend was er een klein jongetje genaamd Tim. Tim was twee jaar oud en woonde op een boerderij. Het was Pasen, en Tim was heel blij. Hij ging met mama en papa paaseieren zoeken.
“Kom op, Tim!” zei mama vrolijk. “Waar zijn de eieren?”
Tim keek om zich heen. Onder de boom, bij de schuur, naast de kippen. Hij zag eieren, veel eieren, maar er was één speciaal ei dat hij niet kon vinden. Het chocolade-ei met stippen.
“Papa, waar is het stippen-ei?” vroeg Tim.
Papa glimlachte. “Laten we samen zoeken!”
Dus gingen Tim en papa op zoek. Ze liepen naar de moestuin. De worteltjes waren oranje en de sla was groen, maar geen stippen-ei.
“Laten we bij de schaapjes kijken,” zei papa.
Tim en papa gingen naar het veld. De schaapjes zeiden: “Bèèè!” Maar er was geen stippen-ei.
Tim vond dit spannend. Hij liep door het gras, en plots hoorde hij iets. Een zacht gekraak. “Wat is dat, papa?”
Papa lachte. “Dat is het geluid van gras. Laten we daar kijken.”
Tim rende naar de plek waar hij het geluid hoorde. En daar, onder een struik, zag hij iets glimmen.
“Het stippen-ei!” riep Tim blij.
Mama kwam en klapte in haar handen. “Goed gedaan, Tim!”
Tim pakte het chocolade-ei en hield het trots vast. Het was mooi en glanzend, precies zoals hij dacht. Iedereen lachte en juichte, zelfs de kippen kakelden vrolijk mee.
“Zullen we het ei samen eten?” vroeg mama.
“Ja!” zei Tim, en hij deelde het ei met mama en papa. Het was zoet en lekker, en iedereen was blij.
Die dag vierde Tim Pasen met een groot avontuur. Hij vond het stippen-ei, en samen met zijn familie maakte hij er een mooie dag van. En zo was Pasen op de boerderij vol vreugde en chocolade.