Het is Pasen. De zon is zacht. Lila en Noor worden bijna één. Ze zijn wakker. "Klop klop," tikt het raam. Een vogel zegt, "tjirp tjirp." Lila lacht. Noor lacht ook. Noor zit in haar rolstoel. Ze rolt zacht. "Zoef," gaat het wiel. Mama zet een mandje neer. Papa legt verf klaar.
De eieren zijn wit. "Hop," zegt Lila. Een penseel gaat in geel. Stip, stip. Blauw. Rood. Groen. Roze. Noor maakt strepen. Tik tik. Lila maakt stippen. Plop. Een druppel valt. Dat is oké. Mama veegt het droog. Alles is fijn.
Dan gaan ze naar de tuin. Het gras is fris. "Tok tok," zegt de kip. In de struik ligt iets. "Oooo," zeggen ze. Een klein ei. "Hop hop," gaat de paashaas in hun droom. Ze zoeken samen. Ze kijken hoog. Ze kijken laag. "Hier!" roept Lila. Een ei glimt. Noor reikt met een lepel. Tik. Het ei rolt uit de takken. "Jee!" zegt Noor. Lila klapt. "Klap klap!"
Een ei rolt in een plas. Plons. Lila kijkt. Noor kijkt. Papa pakt het op. "Zo," zegt hij. Hij dept het droog. Het ei is weer mooi. Alles gaat goed.
Ze zitten samen op een kleed. Ze tellen zacht. Eén, twee, drie. Ze geven een ei aan elkaar. "Voor jou," zegt Lila. "Voor jou," zegt Noor. De lucht is licht. De kleuren lachen. Ze zijn blij.
Ze wuiven naar de kip. "Tok tok!" De kip knikt. De wereld is vrolijk en lief.
Samen zoeken, helpen en delen maakt Pasen heel fijn.