Lars wordt wakker. De zon schijnt op zijn bed. Hij wrijft in zijn ogen en glimlacht. Mama komt binnen. “Het is Pasen!” zegt mama zacht. Lars klapt in zijn handen. “Gaan we eitjes zoeken?” vraagt hij blij. Mama knikt en geeft Lars een mandje.
Samen lopen ze naar de tuin. De lucht is blauw en er zingen vogeltjes in de bomen. In het gras ligt een geel ei. Lars bukt en pakt het op. “Gevonden!” roept hij. Zijn mandje krijgt een eerste eitje. Verderop ziet Lars een roze ei. Het ligt achter een grote bloem. Lars lacht en stopt het ook in zijn mandje.
Papa zit op een tuinstoel en zwaait. “Goed zoeken, Lars!” roept hij. Lars kijkt rond. Daar glanst iets onder de struik. Het is een oranje ei. Lars kruipt op zijn knieën. “Mag ik helpen?” vraagt mama. Lars knikt. Samen kijken ze tussen de blaadjes. Daar ligt nog een blauw eitje!
Lars stopt alle eitjes in het mandje. Zijn wangen blozen. “Nu schilderen?” vraagt hij zacht. Papa legt kwasten op tafel. De eitjes krijgen stippen, streepjes en bloemetjes. Alles ziet er vrolijk uit. Lars schildert een groot geel hart op een ei. Mama schildert een zonnetje.
Dan gaan ze aan tafel. Er zijn broodjes, eitjes en limonade. Lars neemt een hapje en lacht. Buiten fladdert een vlindertje in de zon. Papa geeft Lars een knuffel. “Fijne Pasen, kleine vriend,” zegt papa warm. Lars voelt zich blij.
Samen zijn is het mooiste cadeau.