Luna is twee. Het is Pasen. In huis ruikt het naar warm brood. Op tafel ligt een mand. In de mand zitten witte eieren.
Mama knielt bij Luna. “Zullen we kleuren?” zegt mama.
“Ja!” zegt Luna. Ze klapt zacht in haar handjes.
Op tafel staan bakjes met verf: geel, rood, groen en blauw. Luna krijgt een klein schort. Mama zet een ei in Luna's hand. Het ei voelt koel en glad.
Luna doopt haar kwast in geel. Ze maakt een rondje. Dan nog een rondje. Het ei wordt een zon. “Zon-ei!” zegt Luna.
“Wat mooi,” zegt mama.
Papa komt ook. Hij legt stickers neer: sterretjes en bloemetjes. Luna plakt een bloemetje op haar ei. Het glanst.
Dan tikt er iets op het raam. Tik tik. Luna kijkt. Buiten op het gras zit een klein konijn. Het is lichtbruin. Het heeft een groen strikje om.
“Konijn!” roept Luna.
“Dat is de Paashaas,” zegt papa. “Hij komt kijken.”
Luna loopt naar de deur. Mama doet de deur open. De lucht is zacht en fris. In de tuin hangen slingers. Er staan potjes met gele bloemen.
De Paashaas hupt één stap, nog één. Hij legt een klein mandje neer. In het mandje liggen drie eieren, al gekleurd. Eén is roze met stippen. Eén is blauw met streepjes. Eén is groen met een klein hartje.
Luna wijst. “Voor Luna?” zegt ze.
“Voor jou,” zegt mama. “Wat een fijn cadeau.”
Samen gaan ze eieren zoeken. Niet ver, heel dicht bij elkaar. Onder een stoel. In een bloempot. Naast de gieter. Luna vindt ze snel. Ze lacht en zegt steeds: “Hier!”
In de keuken maken ze een paastafel. Luna zet haar zon-ei in het midden. Papa snijdt brood. Mama schenkt sap in een klein bekertje. Op een bord liggen worteltjes voor het konijn.
De Paashaas zit even in de tuin en knabbelt. Luna zwaait. “Dag haas,” zegt ze.
“Dag Luna,” zegt papa zacht, “wat een vrolijk Pasen.”
Lief zijn en samen delen maakt elk feest nog mooier.