Vandaag is het Pasen. Finn is vroeg wakker. Hij kijkt naar buiten. “Wauw!” zegt Finn. De zon schijnt. Alles lijkt blij. Finn springt uit bed. Hop, hop!
Mama roept: “Kom je, Finn?”
Finn rent naar beneden. Zijn sokken maken “slip, slap” op de trap. Papa lacht. “Goedemorgen, kleine haas!”
Finn giechelt. Hij vindt het leuk.
Op tafel staan gekleurde eitjes. Rood, blauw, geel, groen. Finn roept: “Oh, mooi!”
Mama zegt: “We gaan eitjes zoeken in de tuin.”
Finn klapt in zijn handen. Klap, klap!
Buiten is het zacht en fris. Finn draagt zijn jas.
Mama lacht. “Waar zijn de eitjes?”
Finn kijkt rond. Hij ziet iets glimmen in het gras.
“Tiktak!” Finn loopt ernaartoe.
“Daar!” roept Finn. Hij pakt een geel eitje.
Papa zegt: “Goed gevonden.”
Finn zoekt verder. Onder de struik ligt een blauw eitje. “Kiekeboe!” zegt Finn.
Mama helpt. Samen kijken ze achter het grote roze bloempje.
“Hier!” zegt mama zacht. Finn lacht.
Hij stopt het eitje in zijn mandje.
Papa roept: “Plop!” en zet een chocoladehaasje bij Finn in het mandje.
Finn zegt: “Dank je!”
Ze zoeken samen. Finn vindt een rood eitje, mama een groene.
Als alle eitjes zijn gevonden, zitten ze samen op het gras.
Finn eet een eitje. “Mmm, lekker,” zegt hij.
De vogels zingen. Tsjilp, tsjilp!
Finn knuffelt mama en papa. “Fijne Pasen!” roept Finn.
Samen zijn is fijn.
Blij zijn met elkaar maakt Pasen extra mooi.