Er was eens een kleine jongen. Hij heette Tim. Tim was twee jaar. Hij woonde in een huisje in het bos. Het was herfst. De blaadjes vielen van de bomen. Ze waren rood, geel en oranje.
Tim keek naar de blaadjes. "Kijk, mama," zei Tim. "De blaadjes zijn mooi!" Mama lachte. "Ja, Tim. De herfst is mooi."
Tim hielp mama. Ze maakten de tuin klaar voor de winter. Tim pakte een klein harkje. "Harken, harken," zei Tim. Hij maakte een hoopje blaadjes. "Goed zo, Tim," zei mama. "Laten we de blaadjes in de mand doen."
Tim en mama deden de blaadjes in de mand. "Volgende blaadjes," zei Tim blij. Ze liepen naar de volgende boom. "Harken, harken," zei Tim weer. Het was leuk.
De lucht rook fris. Het was een beetje koud. Tim droeg een warme jas. "Lekker warm," zei hij. Mama gaf hem een knuffel. "Ja, lekker warm," zei mama.
Ze zagen een eekhoorn. "Kijk, eekhoorn!" riep Tim. De eekhoorn had een nootje. "Eekhoorn eet," zei Tim. Mama knikte. "De eekhoorn maakt zich klaar voor de winter, net als wij."
Tim vond het fijn in de herfst. Hij hield van de kleuren, de blaadjes en de eekhoorns. "Herfst is leuk," zei Tim. Mama glimlachte. "Ja, herfst is heel leuk."
Ze gingen naar binnen. Tim dronk warme chocolademelk. "Mmm, lekker," zei Tim. Hij voelde zich warm en blij. Tim keek naar buiten, naar de bomen. Hij wist dat de herfst speciaal was. Mama gaf Tim een kus. "Morgen gaan we weer verder," zei ze zachtjes.
Tim knikte. "Ja, morgen weer!" Ze waren klaar voor de winter, maar genoten eerst van de herfst.