Emma, Noor en Lila lopen samen door het dorp. Emma zit in haar rolstoel. Noor en Lila lopen naast haar. Ze lachen. Het is herfst. De blaadjes vallen. Rood, geel, oranje. Noor zegt: “Kijk, blaadjes!” Emma zegt: “Mooi!” Lila pakt een blaadje. Ze ruikt eraan. “Het ruikt lekker!” zegt Lila.
Ze horen een vogel. “Tjilp, tjilp!” Noor wijst naar boven. “Vogels vliegen in de lucht!” zegt Noor. Emma lacht. “Dag, vogeltjes!” Noor zwaait. Lila zwaait ook.
Ze zien een egel onder de struik. “Kijk, een egel!” zegt Noor. Emma zegt: “Hallo, egel.” Lila zegt zacht: “Niet schrikken, egel.” Ze kijken samen naar de egel. De egel snuffelt. Dan loopt hij weg.
Ze ruiken appeltaart in de lucht. “Mama bakt appeltaart,” zegt Emma. Noor zegt: “Ik hou van appeltaart!” Ze lachen samen.
Op het plein is een feest. Er zijn ballonnen. Er zijn pompoenen. Er is muziek. “Het is herfstfeest!” roept Lila. Ze dansen samen. Emma danst in haar rolstoel. Noor en Lila springen. Ze zingen liedjes. “Herfst is fijn! Samen zijn is fijn!” zingen ze.
Als het donker wordt, gaan ze naar huis. Ze zijn blij. Ze zijn samen. Ze denken aan blaadjes, vogels, egels en appeltaart. Emma zegt: “Herfst is mooi.” Noor en Lila knikken. Ze zijn gelukkig.