Bram de Beer loopt in de tuin. De blaadjes zijn rood en geel. "Kijk eens, wat mooi!" zegt Bram. Hij ziet een eekhoorn. "Hallo, eekhoorn!" roept Bram. "Wat doe je?" De eekhoorn lacht. "Ik verzamel nootjes," zegt hij. Bram knikt. "Slimme eekhoorn," zegt hij zachtjes.
Bram kijkt rond. Hij vindt een appel op de grond. "Appel is lekker," zegt Bram blij. Hij neemt een hap en glimlacht. "Mmm, zoet!"
In de hoek van de tuin staat een grote boom. "We planten een nieuwe boom," zegt Bram. Samen met papa graaft hij een gat. "Boompje groeien," zegt Bram. Ze geven de boom water. "Drink maar, boompje," zegt Bram zacht.
De zon schijnt, maar het is fris. Bram voelt de wind. "Koud," zegt hij, en trekt zijn sjaal aan. Hij loopt verder en ziet bloemen. "Dag bloemen, slapen jullie bijna?" vraagt Bram. De bloemen wiegen zachtjes in de wind.
Bram ziet een vogel vliegen. "Vogel gaat ver weg," zegt Bram. "Tot ziens, vogel!" Hij zwaait vrolijk.
De lucht ruikt fris. Bram snuift de geur op. "Herfst is fijn," zegt Bram. Hij kijkt naar de bomen, de bladeren, de dieren. "Dank je, herfst," zegt hij zacht en blij. Dan loopt Bram naar huis. Tijd voor een warme kop thee.