Beer Bram wordt wakker. Het is ochtend op de boerderij. De lucht is fris. Bram kijkt uit het raam. “Wat is dat?” vraagt Bram zachtjes. “Bladeren vallen! Ze zijn geel en rood. Zo mooi!”
Bram loopt naar buiten. De bladeren kraken onder zijn poten. “Krak, krak,” lacht Bram. “Dat klinkt leuk!” De wind waait zacht. Bram voelt de wind op zijn neus. “Brrr, een beetje koud,” zegt hij.
Beer Bram ziet pompoenen in het veld. Ze zijn groot en oranje. “Hallo, pompoen!” zegt Bram. De pompoen zegt niets terug, maar Bram glimlacht. Hij ruikt aan de pompoen. “Hmm, dat ruikt lekker.”
Opeens hoort Bram een stem. Het is eekhoorn Sofie. “Goedemorgen, Bram!” roept Sofie. “Goedemorgen, Sofie!” zegt Bram. “Kijk, de bladeren vallen.” Sofie lacht. “Dat is de herfst. In de herfst vallen de bladeren. In de herfst zijn de pompoenen rijp.”
Bram knikt. “Herfst is mooi. Herfst is leuk.” Samen lopen Bram en Sofie naar de appelboom. Appels liggen op de grond. Bram pakt een appel. “Wil jij ook een appel, Sofie?” vraagt hij. “Ja, graag!” zegt Sofie. Ze eten samen een appel. “Mmm, zoet en knapperig!” roept Sofie.
Bram kijkt naar de lucht. “Sofie, waarom vallen de bladeren?” Sofie denkt even na. “De bomen rusten in de herfst. Ze laten hun bladeren los. In de lente komen er nieuwe bladeren.” Bram lacht. “Alles verandert. Dat is fijn.”
Ze luisteren naar de wind. Ze horen de vogels zingen. Ze ruiken de geur van natte aarde. Bram voelt zich blij. “Herfst is speciaal,” zegt Bram. “Herfst is samen zijn, proeven, voelen en kijken.”
Bram en Sofie zitten samen onder de boom. Het is rustig. Het is warm in hun hart. “Dank je, herfst,” fluistert Bram. “Tot morgen.”