Mats is twee. Hij trekt zijn jas aan. Buiten is het herfst. De lucht is fris. Mama pakt zijn hand. Ze lopen naar het park.
Op het pad liggen blaadjes. Geel. Rood. Bruin. Mats stampt zacht. “Krrr,” doen de blaadjes. Mats lacht. “Blaadjes!” zegt hij. “Ja,” zegt mama. “Ze vallen in de herfst.”
Er waait wind. Een blaadje danst. Mats kijkt. Zijn wangen voelen koel. Mama wrijft even over zijn muts. “Warm zo,” zegt ze. Mats knikt.
Bij een boom ligt een kastanje. Rond en glanzend. Mats wil hem pakken. De schil prikt een beetje. Mats zegt: “Au.” Mama houdt zijn hand vast. “We doen zacht,” zegt ze. Samen rollen ze de kastanje uit de stekelbol. Mats voelt: glad. “Mooi,” zegt hij.
Ze horen vogels. “Piep piep,” zegt Mats. Mama wijst naar een klein nestje hoog. “Ze zoeken eten,” zegt ze. Mats kijkt stil.
Op de bank drinkt Mats water. Mama geeft een koekje. De zon is zacht. Mats leunt tegen mama. Zijn ogen worden zwaar. Thuis doet mama een warm dekentje om hem heen. Mats ruikt naar buiten.
Moraal: Met een warme hand en rustige ogen is de herfst fijn om samen te ontdekken.