Er was eens een klein jongetje, Sam. Sam hield van Pasen. Hij zei: "Ik ga eieren versieren!"
Sam pakte een groot, wit ei. "Dit ei wordt mooi!" zei hij. Hij schilderde het ei met veel kleuren: rood, blauw, geel en groen. "Kijk, mama! Kijk, papa!" riep hij blij.
Na het versieren ging Sam naar buiten. De zon scheen en de bloemen bloeiden. "Wat een mooie dag!" zei Sam.
In de tuin was er een grote Pasenparade. "HĂ©, kijk daar!" zei Sam. "Eieren! Veel eieren!"
Sam begon te zoeken. Hij vond een geel ei. "Dit is voor jou, mama!" zei hij. Hij vond een blauw ei. "Dit is voor jou, papa!" riep hij.
"Maar wacht!" zei Sam. "Er is nog meer!" Hij zag een groen ei achter een boom. "Wat is dat?" vroeg hij.
Sam opende het ei en vond een verrassing! "Een klein konijntje!" zei hij. Het konijntje sprong blij. "Hippity hoppity!" zei het.
Sam lachte. "Laten we samen dansen!" zei hij. En ze dansten en sprongen in de tuin.
"Wat een geweldige Pasen!" zei Sam. "Ik hou van Pasen!" En iedereen lachte en danste samen.