Er was eens een kleine jongen. Zijn naam was Sam. Sam was één jaar oud. Hij was nieuwsgierig en blij. Op een dag zag Sam iets glinsteren in de tuin. "Wat is dat?" vroeg hij.
Sam liep naar het glinsterende voorwerp. Het was een magische bal! "Wauw!" zei Sam. Hij raakte de bal aan. Plotseling opende er een deur in de lucht. "Ga je mee?" vroeg de bal. Sam knikte. Hij vond het spannend!
Sam stapte door de deur. Aan de andere kant was een mooie wereld. Er waren bloeiende bloemen, zingende vogels en vrolijke dieren. Sam lachte. "Hallo!" riep hij. De dieren keken. "Hallo, Sam!" zei een konijntje. "Kom, laten we spelen!"
Sam en het konijntje speelden samen. Ze renden door het gras. Ze klommen in bomen. "Dit is leuk!" zei Sam. Maar toen zagen ze iets. Een boom was omgevallen. "Oh nee!" zei het konijntje. "We moeten het pad vrijmaken."
"We kunnen het doen!" zei Sam. Samen duwden ze de boom. Het was zwaar, maar ze hadden veel moed. "Duw harder!" zei Sam. Ze duwden en duwden. Eindelijk, de boom rolde weg. "Ja!" juichten ze.
Nu konden alle dieren weer spelen. "Dank je wel, Sam!" zei het konijntje. "Je bent dapper!" Sam voelde zich blij. "We zijn vrienden!" zei hij. Ze dansten en lachten in de zon.
Toen was het tijd om naar huis te gaan. "Ik moet gaan," zei Sam. "Maar ik kom terug!" De bal glimlachte. "Tot snel, Sam!" Sam stapte terug door de deur. Hij was thuis.
Sam keek naar de magische bal. "Wat een avontuur!" zei hij. Hij voelde zich moedig en blij. En zo eindigde de dag met een grote glimlach.