Finn is wakker. Zonnetje schijnt. “Goedemorgen!” roept Finn. Mama lacht. Finn trekt zijn sokken aan. “Hop!” zegt Finn. Vandaag is een grote dag.
Finn wil avontuur. In de woonkamer ziet hij zijn knuffelbeer. “Kom, Beer! We gaan op reis.” Finn pakt Beers poot. Samen stappen ze zacht door het huis. “Stap, stap, stap,” zegt Finn.
In de gang ligt een grote doos. Finn kijkt. “Oei, een berg!” zegt Finn. Hij klimt erop. “Hop, hop!” Beer springt ook. Samen zijn ze heel hoog. Finn zegt: “Wij zijn stoer!”
Finn hoort “miauw.” Poezenpootjes, zacht en snel. Poes wil spelen. Finn lacht en zegt: “Kom mee, Poes!” Nu zijn ze met z'n drieën.
In de keuken ligt een lepel. Finn pakt de lepel. “Dit is mijn stok!” zegt Finn. “Tok-tok,” tikt Finn op de grond. Ze lopen verder.
Opeens ligt er een slipper. Finn kijkt. “Een brug!” zegt hij. Beer mag eerst. Finn helpt Beer. “Voorzichtig,” zegt Finn. Poes loopt erachteraan. “Miauw!” zegt Poes blij.
Finn hoort “plof!” Zijn sok is uit. “O nee,” zegt Finn. Maar Finn weet wat te doen. Hij trekt zijn sok weer aan. “Zo!” zegt Finn. Beer klapt. Poes spint. Alles is goed.
Finn ziet het raam. Buiten is de tuin. “Zullen we buiten kijken?” vraagt Finn. Mama doet het raam open. “Hop, hop, naar buiten,” zegt Finn. De zon schijnt op hun gezicht.
In de tuin liggen stenen. Finn springt van steen naar steen. “Hop, hop!” roept hij. Beer en Poes kijken toe. Finn voelt zich groot. Finn is blij en lacht.
Het avontuur is klaar. Finn, Beer en Poes gaan terug naar binnen. Mama geeft een knuffel. Finn geeuwt. Hij is moe, maar heel blij.
Samen kunnen we alles proberen, stapje voor stapje.