Pim is twee. Pim draagt sokken met strepen. Vandaag wil Pim op avontuur in huis. Mama lacht. “Ik ga mee,” zegt mama.
Pim ziet een stoel. “Boot!” zegt Pim. Hij klimt. Mama houdt zijn hand. Op de stoel ligt een kussen. Dat is een eiland. Pim springt zacht op het kussen. “Ik ben kap,” zegt Pim. “Kap Pim,” zegt mama.
Dan ziet Pim een lange sjaal op de bank. “Slang!” zegt Pim. Hij pakt de sjaal. Hij legt hem op de vloer. “Pad,” zegt Pim. Mama helpt. Samen maken ze een pad naar de keuken.
In de keuken staat een doos. Pim tikt erop. “Trom,” zegt Pim. Tok tok tok. Het klinkt vrolijk. Papa komt ook. “Wat een band,” zegt papa. Pim lacht.
Maar oei, de doos schuift weg. Pim stopt. Pim denkt. Hij kijkt rond. Pim pakt een handdoek. “Stop,” zegt Pim. Hij legt de handdoek onder de doos. Nu staat de doos stil. “Goed zo,” zegt mama. Pim voelt zich groot.
Pim wil nu “schat” zoeken. Papa verstopt een blok in een pan. Pim kijkt. Pim luistert. Pim tilt de pan met twee handen, heel rustig. Daar is het blok. “Schat!” zegt Pim.
Samen bouwen ze met blokken een hoge toren op de mat. De toren wiebelt. Pim zet zijn hand plat. Zacht. De toren blijft staan. “Sterk,” zegt papa. “Slim,” zegt mama.
Pim kruipt terug op de bank. “Klaar,” zegt Pim. Mama geeft een kus. Papa geeft een knuffel.
Moraal: Als je rustig kijkt en samen helpt, wordt elke kleine stap een groot avontuur.