Op een ochtend in het zachte gras zitten twee kleine eendjes: Piep en Plons. Ze zijn broertjes. Piep zegt: “Ik ben de snelste!” Plons zegt: “Nee, ík ben de snelste!” Ze giechelen. Slof-slof-slof, ze waggelen samen over het gras. “Kijk!” roept Piep, “ik spring over deze tak!” Plons springt ook. Boink! Zijn pootjes gaan alle kanten op. Piep lacht. “Nog een keer!”
Dan zien ze een grote blaadje. Ze willen allebei het blaadje oppakken. “Ik eerst!” zegt Piep. “Nee, ik!” zegt Plons. Oh-oh! Hun snaveltjes raken elkaar. Boing! Ze schrikken even en kijken elkaar aan. Oeps! Maar dan lachen ze samen: “Quaaak!” Ze vinden het grappig. Ze pakken het blaadje allebei vast en rennen rondjes. De blaadje zwiept, de eendjes giechelen.
Ze horen een zacht “Zoef!” Een vlinder vliegt langs. Plons wil de vlinder volgen, Piep ook! Ze rennen samen, maar botsen zachtjes. “Oei!” zegt Plons. “Alles goed?” vraagt Piep. Plons knikt. Ze geven elkaar een knuffel met hun vleugeltjes. “Laten we samen lopen,” zegt Piep. “Ja, samen!” roept Plons.
Plons vindt een plasje water. “Plons!” Piep springt er ook in. “Ploef!” Nu zijn hun veertjes nat. Ze schudden samen hun koppies. Druppels vliegen overal. Ze lachen heel hard. “Wij zijn natte eendjes!” roept Piep. “Ja! Natte buik!” roept Plons.
Mama Eend komt erbij. “Wat een lol, kinderen!” zegt ze. “Kom, tijd voor een dutje.” Ze gaan tegen mama aan liggen. Piep en Plons gapen en sluiten hun oogjes.
Samen spelen is fijn, vooral als je samen kunt lachen.