In de tuin speelt kleine Beer met zijn broertje Muisje. Ze rennen en rollen. Ze hebben een bal. "Mijn bal!" roept Muisje. "Nee, mijn bal!" zegt Beer. Ze trekken. Plof! De bal rolt weg. "Oei," zegt Beer zacht. Muisje kijkt boos. Een vlinder fladdert. "Kijk!" zegt Beer. Muisje stopt even. Ze wijzen naar de vlinder. Haha, ze lachen.
Binnen op de bank meten ze wie de grootste kous heeft. Beer vindt een lange sok. Muisje wil die ook. Beer houdt vast. "Niet!" zegt Beer. "Geef!" zegt Muisje. Ze trekken toe. Boem! De sok vliegt in de lucht. De kous landt op de lamp. "Oh!" zegt Muisje. Beer en Muisje kijken samen omhoog. De kous wiebelt. Beer klimt op de stoel. "Ik help," zegt hij. Hij pakt zacht de kous. Muisje klapt in zijn handjes. "Dankjewel," zegt Muisje. Ze geven een knuffel.
In de keuken maken ze een toren van koekjes. Crak, crak. De toren wiebelt. Beer en Muisje blazen zacht. "Pfoe!" zegt Beer. De toren valt niet. Ze giechelen. Een kruimel valt op de vloer. Muisje pakt een doek. "Samen," zegt hij. Ze vegen kriskras. De kruimels gaan in de prullenbak. Mama Beer kijkt en lacht. "Goed zo," zegt zij. Ze brengt warme melk. "Proost," zegt Beer. "Blaas," zegt Muisje. Slurp, slurp.
Voor het slapen gaan lezen ze een boek. Ze zitten dicht bij elkaar. Beer slaapt met zijn arm om Muisje. Muisje glimlacht en fluistert: "Ik hou van jou." Beer fluistert terug: "Ik ook." Ze vallen in slaap met een klein lachje.
Lachen maakt de ruzie snel weer zacht en warm.