Lotte is een groot meisje. Lotte is al twee! Lotte heeft een kleine zus, Saar. Saar is nog maar één. Saar droomt veel. Saar kijkt vaak omhoog en lacht naar de wolken.
Vandaag is een gekke dag. “Saar!” roept Lotte, “Wie kan het hardst lachen?” Saar lacht zacht. Lotte lacht hard. “Ha ha ha!” roept Lotte. Saar lacht mee, “hi hi hi!” Ze lachen samen. Mama lacht ook.
Nu doen ze gek. “Wie kan als een eend lopen?” vraagt Lotte. Lotte waggelt. Saar waggelt ook. Hun billetjes gaan heen en weer. “Kwaak!” zegt Lotte. Saar zegt, “Kwaak!” Ze gieren het uit.
“O, nu verstoppen!” roept Lotte. Ze duikt achter de stoel. Saar kruipt onder de tafel. “Waar is Saar?” lacht Lotte. Saar steekt haar hoofdje uit. “Boe!” roept Saar. Lotte schatert. “Wat ben jij slim!” zegt ze.
Nu rusten ze. Saar haalt haar knuffel. Lotte pakt haar beer. “Wil je mijn beer?” vraagt Lotte. Saar knikt. De beer geeft Saar een zoen. Saar lacht blij.
“Wat zijn wij gek,” fluistert Lotte. “Jij bent lief, Saar.” Saar fluistert terug, “Lotte, jij bent grappig.”
Samen liggen ze dicht bij elkaar. Hun armen om de beren. Ze dromen samen. Van lachen en gek doen. En altijd samen zijn.