In het bos woont een klein konijntje. Het konijntje heet Kiki. Kiki is heel nieuwsgierig. Kiki houdt van springen en spelen.
Op een dag ziet Kiki iets nieuws. Het is een grote doos. "Wat is dat?" vraagt Kiki. Kiki kijkt in de doos. In de doos zitten wielen en planken.
Kiki denkt na. "Ik ga iets bouwen," zegt Kiki blij. Kiki bouwt een karretje. Een karretje met wielen om te rijden.
Kiki trekt aan de kar. "Kom mee, kar!" roept Kiki. Kiki rijdt door het bos. De bomen zwaaien. De bloemen lachen.
"Hallo, Kiki!" zegt de eekhoorn. "Wat heb je daar?" Kiki lacht. "Dit is mijn kar. Wil je mee?" vraagt Kiki.
De eekhoorn springt in de kar. Samen gaan ze verder. "Wat een avontuur!" roept de eekhoorn.
Ze rijden naar de grote heuvel. De heuvel is hoog. Kiki stopt even. "Durf ik?" denkt Kiki. Dan lacht Kiki. "Ja, ik durf wel!"
Kiki en de eekhoorn rijden naar beneden. Zoef! De wind waait langs hun oren. Ze lachen en gillen van plezier.
Beneden wacht een verrassing. Veel gekleurde bladeren op de grond. "Wat mooi!" zegt Kiki. "Dit is een schat!" zegt de eekhoorn.
Kiki en de eekhoorn spelen met de bladeren. Ze maken een groot bladkasteel. Ze maken een bladhoed. Ze maken een bal van bladeren.
Als de zon ondergaat, zegt Kiki: "Tijd om te gaan." De eekhoorn knikt. Ze rijden terug met de kar.
Thuis in het hol zegt Kiki: "Wat een avontuur was dat!" De eekhoorn knikt. "Dank je, Kiki," zegt hij.
Kiki gaapt. "Slaap lekker, eekhoorn," zegt Kiki. "Morgen nieuwe avonturen," fluistert Kiki.
Samen dromen ze van nieuwe avonturen. De maan kijkt toe en glimlacht. Alles is rustig in het bos.