Lena was een klein meisje van twee jaar oud. Ze woonde op een boerderij. Het was herfst. De bladeren vielen van de bomen. "Kijk, mama! Bladeren!" zei Lena blij.
Op de boerderij was het druk. Het was tijd voor de oogst. Papa plukte appels. "Wil je helpen, Lena?" vroeg papa. Lena knikte. "Ja, papa!"
Samen met papa stopte Lena appels in een mand. De appels waren rood en rond. "Eén, twee, drie," telde Lena. "Goed gedaan, Lena," lachte papa.
Na het plukken gingen ze naar het veld. Daar waren pompoenen. Grote, oranje pompoenen. "Wat zijn ze groot!" riep Lena uit. Mama hielp Lena een pompoen dragen. "Voor de herfstfeest!" zei mama.
Op de boerderij was een groot feest. Er waren veel mensen. Ze zongen liedjes. Ze aten lekkere dingen. De lucht rook naar appels en kaneel. Lena vond het fijn.
"Wat een mooie dag," zei oma. Oma gaf Lena een warme deken. "Kijk naar de kleuren, Lena," zei oma. "Rood, geel, oranje."
Lena keek rond en glimlachte. Ze voelde zich gelukkig. De herfst was mooi en speciaal. Met mama, papa en oma was alles fijn.
Die avond viel Lena in slaap. Ze droomde van appels, pompoenen en de mooie kleuren van de herfst. De herfst was Lena's favoriete tijd van het jaar. "Morgen weer spelen," fluisterde Lena in haar slaap.