Er was eens een klein jongetje genaamd Tim. Tim was één jaar oud. Hij hield van spelen in de tuin. Op een zonnige dag speelde Tim met zijn favoriete bal. Plotseling hoorde hij een vreemd geluid.
"Wat is dat?" vroeg Tim.
Zijn vriendje, de nieuwsgierige kat Mia, kwam dichterbij. "Ik weet het niet," zei Mia. "Laten we kijken!"
Tim en Mia liepen naar het geluid. Het kwam van de schommel. Daar zagen ze een ander vriendje, Lotte. Lotte keek heel bezorgd.
"Wat is er, Lotte?" vroeg Tim.
"Mijn pop is weg!" zei Lotte. "Ik heb haar hier neergelegd. Nu is ze weg!"
Tim dacht na. "Waar heb je haar voor het laatst gezien?"
"Iets verderop, onder de boom," zei Lotte.
"Goed idee!" zei Mia. "Laten we daar gaan kijken!"
Ze gingen naar de boom. Ze keken onder de takken. "Kijk!" zei Tim. "Er is iets roze."
Lotte keek snel. "Dat is mijn pop! Maar hoe komt ze daar?"
Mia keek omhoog. "Misschien is de wind haar daarheen geblazen?"
"Ja!" zei Tim. "De pop kan niet alleen zijn gegaan."
Lotte was blij. "Dank jullie wel! Mijn pop is terug!"
Tim, Mia en Lotte lachten samen. Ze waren slimme onderzoekers. En ze waren blij dat ze het mysterie hadden opgelost.
"Dat was leuk!" zei Tim. "Laten we weer spelen!"
En zo speelden ze verder in de zon.