Er was eens een klein jongetje, Tom. Tom zat in een gezellig huisje met zijn vrienden. Het was bijna Kerstmis! Tom zei: "Kijk, het sneeuwt! Het is bijna tijd voor de kerstman!"
Zijn vriendjes, Max en Sam, sprongen op en neer. "Ja! Kerstmis is leuk!" riepen ze. Maar plotseling zagen ze iets vreemds. De kerstboom was omgevallen! "Oh nee!" zei Tom. "Wat nu?"
Max keek naar de boom. "We moeten de boom terugzetten!" zei hij. Sam knikte. "Ja! Laten we het samen doen!"
Ze duwden en trokken. De boom wiebelde, maar bleef liggen. "We hebben hulp nodig!" zei Tom. "We moeten de kerstman bellen!"
"Hoe doen we dat?" vroeg Max. "Met een bellenblaas!" zei Sam.
Dus gingen ze buiten en bliezen bellen. "Kerstman! Kom snel!" riep Tom. De bellen vlogen in de lucht. Plotseling hoorden ze een lach.
De kerstman verscheen! "Ho ho ho! Wat is er aan de hand?" vroeg hij. "Onze boom ligt op de grond!" zei Tom.
De kerstman lachte. "Laten we hem samen oprichten!" Samen duwden ze de boom rechtop. "Dank je, kerstman!" zeiden de jongens.
"Geen probleem!" zei de kerstman. "Kerstmis is er om te delen!"
De jongens lachten. Het huisje was weer gezellig. "Kerstmis is weer goed!" zei Max. "Ja!" zei Sam.
En zo vierden ze een mooie kerst met veel snoep en pret. "Ho ho ho!" klonk het. Iedereen was blij.