Er was eens een klein meisje genaamd Emma. Emma was heel nieuwsgierig. Ze had een brilletje en ze hield van mysteries. Op een dag zei Emma: "Laten we een speurclub maken!" Haar vriendje Sam zei: "Ja, dat is leuk!" En hun vriendje Max, die altijd in een rolstoel zat, riep blij: "Ik wil ook meedoen!"
Ze zaten samen in de klas. Maar er was iets vreemds. Iemand nam altijd de koekjes uit de koekjestrommel. Emma zei: "We moeten onderzoeken!" Ze keken samen rond. Ze zagen kruimels op de grond. Max zei: "Volg de kruimels!"
Ze volgden de kruimels naar de gang. Daar vonden ze een klein katje. Het katje keek met grote ogen naar hen. "Miauw," zei het katje. Sam lachte: "Het katje heeft de koekjes gepakt!"
Emma gaf het katje wat melk. "Goed gedaan," zei Emma. "We hebben het mysterie opgelost!" Max en Sam klapten in hun handen. "Hoera voor de speurclub!" zei Max.
En zo was het mysterie opgelost. Emma, Sam en Max waren blij. Ze waren de beste speurders van de school. En het katje? Dat kreeg elke dag een koekje. Iedereen was gelukkig. Einde.