Tommy was een vrolijke jongen van twee jaar. Hij had een beste vriend, Max, een kleine hond. Ze speelden elke dag samen in de tuin.
"Max, kom hier!" zei Tommy met een grote glimlach. Max sprong en kwispelde zijn staart. "Wat gaan we vandaag doen?" vroeg Tommy.
“Blaff, blaff! Rennen!” zei Max enthousiast.
“Ja, rennen!” riep Tommy. Ze renden door de tuin. Tommy maakte een grote sprongetje. “Kijk, Max! Ik ben een konijn!”
"Woef! Konijnen zijn snel!" blafte Max en hij sprong ook.
Plotseling zag Tommy iets glinsteren. “Wat is dat?” vroeg hij. Het was een grote, gele bal! “Een bal! Wat leuk!”
“Blaff! Spelen!” zei Max, en hij rende naar de bal. Tommy gooide de bal. “Vang hem, Max!”
Max sprong en... “BAM!” De bal rolde weg. “Oh nee!” zei Tommy. “Waar is de bal?”
“Woef! Ik zoek!” blafte Max. Hij snuffelde overal. “Hier is hij!” Max had de bal gevonden onder een struik.
“Goed gedaan, Max!” zei Tommy blij. “Nu kunnen we weer spelen!”
“Ja!” blafte Max. Ze speelden de hele middag met de bal. Ze lachten en renden. Tommy en Max waren de beste vrienden.
“Dit is leuk!” zei Tommy.
“Woef! Vriendschap!” blafte Max.
Ze glimlachten naar elkaar. Wat een fijne dag!