Mats speelt in de tuin. Hij is twee jaar. Hij lacht. Hij loopt. "Kijk!" zegt Mats. Hij heeft een bal. Plop, plop, plop. De bal rolt. Toc-toc! De bal botst tegen de laars van Bram. Bram lacht. "Hallo!" zegt Bram. Een eend komt ook kijken. Kwaak kwaak. Hop, hop, hop.
Ze duwen de bal. Ze rollen de bal. "Samen?" vraagt Mats. "Samen!" zegt Bram. Ze duwen met de hand. Ze duwen met de voet. De bal zwiept. Ha! Ha! Een bloempot valt niet om. Plof. Oef!
Mats pakt een emmertje. Bram pakt een schepje. Ze bouwen een berg. Op de berg leggen ze de bal. De bal glijdt. Plons! In het zand. De eend kijkt. "Oei," zegt Mats. Hij pakt de bal. Bram helpt. Ze trekken. Ze duwen. Ze lachen. "Hop," zegt Bram. "Hop," zegt Mats. De bal is los.
Ze rollen de bal naar de poort. De poort piept. Piep piep. Oma komt met koekjes. "Koek?" vraagt oma. "Ja!" zeggen ze. Ze delen de koek. Klein hapje voor Mats. Klein hapje voor Bram. Klein hapje voor de eend (een stukje brood). Kwaak kwaak. Smak smak.
Dan komt een wolk. De zon speelt tikkertje met de wolk. Zon, wolk, zon, wolk. Het wordt zacht. "Rust?" vraagt Bram zacht. Mats knikt. Ze zitten op een dekentje. De bal tussen hen. De eend op een voet. Ze zingen zacht: la la la. Hun oogjes worden klein. Ze ademen rustig. Zzz... Zzz...
Mats slaapt bijna. Bram slaapt bijna. Oma fluistert: "Slaap zacht." De tuin ademt mee. Vrienden slapen met een lach.
Samen delen is fijn en maakt alles vrolijk.