Het konijn springt. Hop, hop, hop. "Kijk!" zegt Konijn. Zijn vriendje eend komt aan. "Kwak!" zegt Eend. Ze lachen. Ze spelen samen.
Konijn heeft een hoed. De hoed past niet. "Te groot!" zegt Konijn. Eend zet de hoed op zijn snavel. "Kwak, ik zie niks," lacht Eend. Ze giechelen. De hoed valt. Plons! In een bak met veren. Veer, veer, veer. Ze blazen. Veertjes vliegen. Ze proeven geen veer. Dat is goed.
Daar is het varken. "Knor," zegt Varken. Hij wil ook spelen. "Een hoed?" vraagt Varken. "Nee, te klein!" zegt Konijn. Ze meten de hoed met een wortel. De wortel is niet meet. Ze meten met een stok. De stok breekt. "Oeps," zegt Konijn. Alle drie lachen. Ze delen de hoed. Eerst op Konijn, dan op Eend, dan op Varken. Hoed gaat rond. Rond en rond. Iedereen lacht harder en zachter.
Een vlieg kijkt. "Bzz," zegt Vlieg. "Mag ik?" Vlieg is klein. Ze geven de hoed zacht. De hoed past als een lied. Samen zingen ze een kort deuntje. Hop, kwak, knor, bzz. Stil wordt het. Ze zitten dicht bij elkaar. Handen? Pootjes. Een zachte slaap komt. Ze sluiten de ogen. Rustig ademen. Een laatste giechel, een laatste zucht.
Delen is leuk en maakt vrienden blij.