Kleine Pluim, het gele kuikentje, stapte uit zijn warme nest. De ochtendlucht rook naar paasbloemen. Pluim zag iets op de grond. Kleine pootafdrukken. Niet gewoon bruin of zwart, maar blauw, rood en groen. "Wat leuk," piepte Pluim. "Kleurenpootjes!"
Pluim volgde de eerste blauwe voetstap. De voetjes waren klein en glansden een beetje, alsof ze net uit een doos verf kwamen. Ze liepen over het gras, langs gele boterbloemen en paarse viooltjes. Soms sprong Pluim vrolijk, soms huppelde hij zacht. "Kom maar," zei Pluim tegen zichzelf. "Ik ga zien waar ze heen gaan."
De pootafdrukken leidden naar de grote oude eik. Onder de eik lag een kring van gekleurde eieren. Eén ei was blauw, één ei was rood en één ei was groen, net zoals de pootjes. Pluim tikte voorzichtig tegen het blauwe ei. Het tikte terug, zacht en warm. "Hallo," zei een stem vanuit het ei. Pluim schrok niet. "Hallo," zong hij terug. "Wie ben jij?"
Het ei piepte en opende een klein deurtje. Een piepklein konijntje met een strikje kwam tevoorschijn. Het konijntje had glinsterende lippen en een mandje vol minichocolaatjes. "Ik ben Flits," zei het konijntje. "Ik maak paasmagie. Ik laat kleurpootjes zien om vriendjes te vinden."
Pluim en Flits sprongen samen verder, verder langs de paden. De pootjes veranderden van kleur. Eerst blauw, toen rood, daarna geel. Elke keer als Pluim een voetstap raakte, klonk er een zacht belletje. "Bing!" Pluim lachte. "Bing!"
Ze kwamen bij een vijver vol kikkers. Op het water drijven nog meer gekleurde eieren. Een groene eend zwom rond en droeg een gele hoed. "Dag," kwakelde de eend. "Zien jullie mijn pootjes?" De eend liet kleine groene voetstapjes op het water. Pluim keek met grote ogen. "Pootjes op water!" zei hij verbaasd. Flits tikte met zijn poot tegen het water en het maakte kleine golven die fonkelden in het zonlicht.
Samen volgden ze de pootafdrukken naar het bloemenveld. Daar waren heel veel dieren: een rood eekhoorntje, een blauwe vlinder en een paarse muis. Iedereen had schildervlekjes op hun pootjes. Ze lachten en dansten. "Het is bijna pasen," zei het eekhoorntje. "We maken een verrassing."
Pluim en zijn nieuwe vrienden vormden een rij en liepen door een tunnel van tulpen. De tulpen bogen als vriendenhanden. Aan het einde van de tunnel stond een grote mand. De mand was versierd met linten en kleine veertjes. Pluim voelde zijn hartje kloppen. "Is dit voor mij?" fluisterde hij.
Flits knikte en zette de mand neer. Iedereen ging zitten en keek. In de mand lagen chocolade-eitjes, gekleurde paaseieren en zachte dekenpjes. Maar bovenop, op een kussentje, lag iets glanzends. Het was een klein, gouden ei dat licht gaf als een ster. "Dat is een wens-ei," zei de groene eend. "Wie er liefdevol naar kijkt, mag een wens doen."
Pluim sloot zijn oogjes. Hij dacht niet aan veel chocolade. Hij dacht aan vriendschap en bloemen en zingen. Hij wenste dat iedereen elke paasdag zo blij kon samenkomen. Het gouden ei glansde nog helderder en smolt een heel klein beetje in zijn potenwarmte. Pluim voelde warmte in zijn borst. Hij opende de ogen en zag iedereen lachen.
De zon zakte zacht en de kleuren werden warm en zacht. De vrienden deelden de eitjes en de dekenpjes. Pluim kroop dicht tegen Flits aan en zei: "Dank je." Flits gaf hem een knuffel en zei: "Tot volgend jaar, Pluim."
Pluim sliep onder de eik, tussen vriendjes en restjes van glanspootjes. De laatste pootafdrukjes leken te fluisteren: tot ziens, tot plezier, tot weer. Buiten flitsten de sterren zacht als kleine gekleurde eitjes. Pluim droomde van volgende lente, van nieuwe voetstapjes en van nog meer paasmagie.