Milo zette zijn voeten op de koude keukenvloer. Hij wreef in zijn ogen. In de lucht hing een zoete geur, een beetje zoals cacao en warme melk. Op tafel stonden drie bekers met kleine konijntjes erop.
Bo en Sam kwamen ook binnen, nog in hun pyjama. Bo droeg sokken met sterren. Sam had zijn haar alle kanten op.
“Is het al Pasen?” fluisterde Sam.
“Bijna,” zei mama zacht. Ze knipoogde. “Eerst ontbijt. Dan kijken we rond.”
Papa zette een mandje met broodjes neer. “Kijk goed,” zei hij. “Vandaag kan de vloer soms iets vertellen.”
Milo keek naar de vloer. Eerst zag hij alleen tegels. Grijs, netjes, gewoon. Toen zag hij iets anders.
Op de mat bij de deur stond een klein voetafdrukje. Felgeel. Alsof iemand met een kwastje op de vloer had getikt.
“Een voet!” riep Bo.
“Een verfvoet!” lachte Sam.
Milo bukte. Hij wilde het aanraken, maar het was droog. Het glansde een beetje, als zonlicht op een plas.
Nog een afdrukje stond ernaast. En nog één. Geel, groen, roze. Een rijtje, alsof iemand dansend was weggehopt.
Mama zette haar beker neer. “Wat zou het zijn?”
“De Paashaas!” zei Bo meteen, met ronde ogen.
Papa deed zijn stem heel serieus. “Of een kip met regenboogvoeten.”
Sam giechelde. “Kip, kip, regenboog!”
Milo voelde zijn buik kriebelen van nieuwsgierigheid. “Mag ik volgen?” vroeg hij.
“Wij ook!” riepen Bo en Sam.
“Goed,” zei mama. “Maar we blijven samen. Handjes vast als het druk is.”
De drie jongens pakten elkaars hand. Milo in het midden. Bo links. Sam rechts. Hun pyjamamouwen wiebelden als kleine vlaggetjes.
De voetstappen gingen naar de gang. Daar waren ze blauw, heel blauw, alsof iemand in de lucht had gestapt. Ze gingen langs de kapstok, langs papa's schoenen, langs de grote spiegel.
Sam keek in de spiegel en trok een konijnengezicht. “Ik ben een haas!”
Bo sprong één keer. “Ik ook!”
Milo lachte. “Ik ben… de paashaas-kapitein.”
“Kapitein Haas!” zei papa. “Dan varen we mee.”
De voetstappen gingen naar de woonkamer. Over het kleed, langs de bank. Ze waren nu paars en oranje door elkaar. Milo telde zacht: “Eén, twee, drie…” maar hij raakte de tel kwijt, want bij sommige stapjes zat een klein glinsterpuntje, alsof er sterrenstof op was gevallen.
“Zie je dat?” fluisterde Bo.
“Het twinkelt,” zei Sam. “Zoals een lampje.”
Mama knikte. “Heel zacht. Heel vriendelijk.”
Milo voelde geen angst. Alleen blij. Het voelde als een spel dat iemand speciaal voor hen had gemaakt.
De sporen liepen naar de achterdeur. Papa deed de deur open. Buiten was het fris. De lucht was lichtblauw. In de tuin stonden kleine bloemetjes. Geel als boter. Wit als melk.
Op de stoep waren de voetstappen rood, alsof ze van aardbeien waren gemaakt. Ze gingen het gras in. Daar werden ze weer groen, net als het gras zelf, maar dan feller.
“Pas op voor natte sokken,” zei mama.
Bo keek naar zijn sterren op de sokken. “Sterren kunnen wel tegen een beetje nat.”
Sam maakte een dappere stap. “Ik ben een waterhaas!”
Milo liep voorop, langzaam, want hij wilde geen spoor missen. De voetstappen maakten een bocht langs de zandbak. Ze gingen naar de grote struik, waar de takken wiebelden in de wind.
En toen stopten ze.
“Daar!” zei Milo.
Onder de struik stond een mand. Niet heel groot. Wel heel mooi. Er zat een lint omheen. En kleine papieren eitjes aan een touwtje, die zachtjes draaiden.
Bo hield zijn adem even in. “Is dat voor ons?”
Sam fluisterde: “Misschien is het een mand van de regenboogkip.”
Papa grinnikte. “Zullen we kijken?”
Milo knikte. Hij keek naar mama. Mama knikte terug. “Samen,” zei ze.
De drie jongens hurkten neer. Milo deed voorzichtig het lint los. Het voelde glad, als een sjaal. Bo hield de mand vast. Sam keek erin alsof hij een schat zocht.
Binnenin lagen eieren van chocolade. Een gouden. Een met blauwe stippen. Een met roze strepen. Er lagen ook drie kleine konijnen van melkchocolade, met witte snorharen van suiker.
“Wauw,” zei Milo heel zacht.
Bo tikte tegen het gouden ei. “Deze is voor de kapitein.”
Sam pakte een klein konijn en hield het bij zijn oor. “Ik hoor hem niet praten.”
Op dat moment waaide er een zacht windje. De papieren eitjes aan het touwtje ritselden. En heel dichtbij, achter de struik, klonk een klein “hop-hop”.
De jongens keken elkaar aan. Hun ogen werden groot, maar hun mondjes lachten.
“Was dat…?” begon Bo.
Mama legde een hand op zijn schouder. “Misschien,” zei ze. “Sommige dingen zeggen ‘hallo' zonder dat je ze ziet.”
Milo keek naar de voetstappen. Die waren er nog. Maar nu werden ze lichter, alsof de kleuren zacht in de zon gingen slapen.
“Dank je wel,” zei Milo naar de struik.
Sam zei ook: “Dank je wel, haas!”
Bo zwaaide. “Fijne Pasen!”
Ze namen de mand mee naar het terras. Papa zette een kleedje neer. Mama haalde kleine bordjes. De jongens mochten elk één chocolade-ei kiezen.
Milo koos een met groene streepjes. Bo een met blauwe stippen. Sam wilde eerst het gouden, maar toen koos hij toch een roze, “want roze is vrolijk,” zei hij.
Ze tikten hun eieren zacht tegen elkaar. “Kling,” zei Milo.
“Kling,” zei Bo.
“Kling!” riep Sam extra hard, en iedereen moest lachen.
De chocolade smolt een beetje op hun vingers. Mama veegde het weg met een servet. “Kijk,” zei ze, “nu heb je chocoladehanden. Dat zijn de beste handen.”
Papa wees naar het gras. “Zie je nog iets?”
De jongens keken. In het gras lag één klein, echt eitje. Geverfd met gele en groene strepen. Er zat een mini-stickertje op: een glimlachend konijn.
“Een extra!” riep Bo.
Milo voelde zijn hart warm worden. “Pasen is vol kleuren,” zei hij.
“En vol samen,” zei mama.
Sam knikte met volle wangen. “En vol chocola.”
De zon werd steeds warmer. De tuin rook naar lente. De voetstappen waren nu bijna weg, maar de jongens wisten precies waar ze hadden gelopen. Ze wisten het in hun voeten, in hun lach, in hun handen die nog een beetje naar chocolade roken.
Ze bleven nog even zitten. Dicht bij elkaar. Rustig en blij. En in de zachte wind leek het, heel even, alsof iets onzichtbaars nog één keer vrolijk “hop” zei, alleen voor hen.