Mila was drie. Ze had twee kleine vlechtjes en een grote lach. Buiten scheen de zon. Binnen rook het naar warme broodjes.
“Vandaag is het Pasen,” zei mama. “We gaan eitjes zoeken.”
Mila klapte in haar handen. “Eitjes! Eitjes!” riep ze zacht, want papa deed alsof hij nog sliep op de bank.
Papa deed één oog open. “Ssst… ik ben een slaperige paashaas,” mummelde hij. Mila giechelde.
Op tafel stond een mandje met verf. Geel als een kuikentje, roze als snoep, blauw als de lucht. Mila doopte haar kwast en maakte stippen. “Stip, stip, stip,” zei ze. Mama knikte. “Wat een mooie stippen, Mila.”
Toen ging de deurbel. Ding-dong! Mila huppelde naar de deur. Op de stoep lag een klein pakketje met een strik. Er zat een kaartje bij met een tekening van een konijn.
Mila keek naar mama. “Voor mij?”
Mama las: “Voor Mila. Van de Paashaas.”
Mila maakte grote ogen. “De echte?” fluisterde ze.
“Misschien,” zei mama. “Zullen we kijken?”
Mila trok voorzichtig aan de strik. In het papier zat een ei. Niet een gewoon ei. Het glansde als parels. Het had kleine sterretjes erop, alsof iemand er met licht had getekend.
Mila hield het ei tegen haar oor. Eerst hoorde ze niets. Toen… tingeling-ting… een klein liedje, zacht als een belletje. Mila's mond ging open.
“Het ei zingt!” zei ze.
Papa kwam erbij staan. “Een muzikaal ei,” zei hij plechtig. “Dat is zeldzaam. Heel zeldzaam.”
Mila drukte het ei zacht tegen haar wang. Het voelde warm, alsof het haar kende. Het liedje werd iets vrolijker: la-la-la, ting-ting-ting.
“Waar komt het vandaan?” vroeg Mila.
Mama wees naar de tuin. “Misschien wil het ei ons iets laten zien.”
Buiten was het gras groen en fris. Overal stonden gekleurde lintjes aan takken. Mila liep langzaam, met het ei in haar handen. Het zong een beetje harder als ze naar links ging, en zachter als ze naar rechts ging.
“Het is een liedjes-kompas,” zei papa. “Het wijst de weg met muziek.”
Mila stapte, stopte, luisterde. “Ting-ting links,” zei ze. Ze draaide naar een bloempot. Het ei zong: tingelingeling! Mila keek in de pot. Daar lag een paasei, geel met groene strepen.
“Gevonden!” riep Mila.
Mama klapte zacht. “Goed geluisterd.”
Mila liep verder. Het ei zong nu: la-la… la-la… en toen: TING! Mila keek onder de bank in de tuin. Daar lag een paasei met stippen, net als haar verfstipjes.
“Dat is mijn ei,” zei Mila trots. “Stip, stip, stip.”
Ze gingen zo door. Achter het gordijn bij de tuindeur. Onder de gieter. Naast het kleine kabouterhuisje. Steeds weer zong het ei. Steeds weer vond Mila een ei.
Bij het laatste liedje werd het ei extra blij. Ting-ting-ting-ting-ting! Mila volgde het naar de grote struik. Daar, in het zachte mos, lag een mandje. Vol chocolade-eitjes en één groot ei met een gouden lint.
Mila aaide het lint. “Wauw.”
Op het mandje lag een briefje. Mama las: “Dank je wel, Mila, dat je zo goed kunt luisteren. Muziek en Pasen horen bij elkaar. Vrolijke Paasdagen! Groetjes, de Paashaas.”
Mila keek om zich heen. “Waar is hij dan?”
Papa wees naar een paar konijnenpootafdrukken in het zand. “Hij was hier net. Hij moest snel verder. Veel tuinen, veel eitjes.”
Mila lachte. “Druk konijn.”
Binnen maakten ze een bordje met alle gevonden eieren. Mila liet het muzikale ei nog één keer zingen. Het klonk als een klein slaapliedje nu, rustig en rond.
Mama zette een beker melk neer. “Voor het ei,” grapte ze.
Mila zette het ei naast haar bord. “Slaap maar, ei,” fluisterde ze.
Papa gaapte. “Deze paashaas moet ook slapen,” zei hij en kroop weer op de bank.
Mila kroop tussen mama en papa in. Buiten zongen vogels. Binnen zong het ei nog heel zacht: ting… ting… en toen werd het stil.
Mila voelde zich warm en blij. “Morgen weer Pasen?” mompelde ze.
Mama gaf haar een kus. “Morgen is ook een mooie dag.”
En Mila viel in slaap met een glimlach, terwijl de kleuren van Pasen nog in haar hoofd dansten.