De ochtend ruikt naar chocolade
Noor wordt wakker en snuffelt. Snuffel, snuffel. Haar neus is wakker voor haar ogen. De lucht is zacht en zoet. De lucht zegt chocola. Noor glimlacht. “Ik ruik het,” zegt ze zacht. “Pasen ruikt naar chocola.”
Lila zit rechtop in haar bedje. Haar kleine rolstoel staat klaar naast het bed. Hij zoemt zacht als hij rolt. “Ruik jij dat ook?” vraagt ze.
“Noem mij Neus-Noor,” lacht Noor. Ze wijst met haar neus. “Daar is chocola. En daar ook. Snuffel, snuffel.”
Mama komt binnen met mandjes. Ze zijn licht en vrolijk. Er zitten linten aan. “Vrolijk Pasen,” zegt mama. “Willen jullie eieren zoeken in de tuin?”
“Ja!” roepen Noor en Lila. Ze klappen in hun handen. Lila pakt haar mandje. Noor hangt het hare aan haar pols. Papa zet de deur open. De tuin glanst. Er is zon. Er is dauw. De grasmaantjes liggen als kleine glimlachjes in het groen.
Noor sluit haar ogen even. Ze ademt in. “Chocola naar links,” zegt ze. “En chocola naar het gras.” Haar stem is blij en rustig. Lila lacht. “Ik volg jou. Ik volg je neus.”
Een tuin vol zachte kleuren
De tuin is rustig. Een merel zingt laag. Een vlinder vliegt op en neer. Hij lijkt te knikken. Noor snuffelt. Snuffel, snuffel. De geur is warm. De geur tikt tegen haar wangen. Alsof de geur zegt: hier ben ik, hier ben ik.
“Waarheen?” vraagt Lila.
“Eerst naar de laars,” zegt Noor. Ze wijst naar een kleine, blauwe laars naast de deur. Lila rolt erheen. Haar wielen gaan zacht over de stenen. Noor tilt de laars op. Plop. Onder de laars ligt een ei met stippen. Geel en wit. Het ruikt naar cacao en lachen.
“Voor jou,” zegt Noor.
“Voor ons,” zegt Lila. Ze legt het ei in het mandje. De linten dansen.
De zon maakt streepjes licht. De streepjes dansen over het gras. Noor snuffelt opnieuw. “Snuffel, snuffel. Ik voel chocola in de lucht. Het is als een warme kus.” Ze loopt stap voor stap. Lila rolt naast haar. Ze blijven dicht bij elkaar. Mama zit op het bankje en glimlacht. Ze kijkt, ze knikt, ze is daar.
Bij de lage struik glinstert iets. Heel klein. Alsof de lucht glitters strooit. Noor buigt. Tussen de bladeren ligt een groen ei met een lint. Het ruikt zacht als melk. “Hallo, ei,” fluistert Noor.
“Mag ik het pakken?” vraagt Lila.
“Natuurlijk,” zegt Noor. Ze houdt de takjes opzij. Lila pakt het ei. Hun handen raken elkaar. Warm en licht. “Nog eentje,” zegt Lila. “Ik hoor een belletje in mijn hoofd.” Ze lacht. “Misschien is het mijn hoorapparaat dat lacht.” Ze tikt het zachtjes. Het piept terug. Vrolijk en klein.
Verderop ligt een rijtje voetjes in de aarde. Ze zijn niet groot. Ze zijn klein en rond. Misschien van de Paashaas. Of van de wind. Of van blije dromen. Noor snuffelt langs het spoor. Snuffel, snuffel. “Hier ruikt het sterk,” zegt ze. “Chocola met een beetje vanille. En een beetje lente.”
Ze komen bij de lage picknicktafel. Op de bank ligt een paars ei. Er staat iets op met zilver. Noor leest langzaam. “Volg je neus.”
“Dat doe jij al,” zegt Lila. Ze giechelt. “Je neus is onze kaart.”
Ze gaan verder. Onder de wipper ligt een blauw ei. In de struik bij de rozen rust een goud papiertje. “Zacht,” zegt Noor. Ze pakt het heel voorzichtig. Er is een mini-heerlijk geurtje. Het is alsof de lucht zingt: mmm.
Alles is licht. Alles is rustig. De wind wiegt het gras. De mandjes worden voller. Linten strelen vingers. “Nog één,” zegt Noor. “Mijn neus zegt: nog één.”
Zoet einde, warme armen
Bij de appelboom staan twee kleine stoelen. Daaronder, in de schaduw, ligt een groot ei. Het is omwikkeld met rood papier. Het kraakt een beetje. Noor tikt. “Tik, tik.” Lila tikt mee. “Tik, tik.”
“Zullen we het delen?” vraagt Lila.
“Ja,” zegt Noor. “We delen altijd.”
Papa komt met een kleed. Hij spreidt het op het gras. Mama brengt stukjes appel en boterhammen. De lucht blijft zoet. Maar zacht. Niet te veel. Net goed. Noor en Lila zitten dicht bij elkaar. Ze maken het rode papier open. Krkrrr. Binnenin zit chocolade in de vorm van een haasje. Het ruikt naar lente en lachen.
“Hallo, haasje,” zegt Noor.
“Bedankt voor de geur,” zegt Lila. Ze breken het haasje in kleine stukjes. Een stukje voor Noor. Een stukje voor Lila. Een stukje voor mama. Een stukje voor papa. Ook een stukje in het bakje voor buurjongen Sam. “Voor later,” zegt Noor. “Delen is fijn.”
Ze eten langzaam. Hapje voor hapje. Hun kaken gaan rustig. Hun ogen lachen. De vlinder landt even op het kleed. Hij vouwt zijn vleugels open en dicht. Open en dicht. Als ademhalen.
“Wat vond je het leukste?” vraagt mama.
“De geur,” zegt Noor. “Mijn neus leidde ons. Snuffel, snuffel. Dat was fijn.”
“En de glinsters bij de struik,” zegt Lila. “Dat was een beetje magie.”
Papa knikt. “Pasen is vol kleine magie,” zegt hij. “Kleuren, geuren, samen.”
De wind blaast heel zacht. Noor legt haar hoofd tegen Lila's schouder. Lila legt haar hand op Noor's arm. De wereld voelt rond en zacht. De mandjes liggen naast hen. Vol eieren. Vol kleur. Vol rust.
Noor sluit haar ogen. Ze ademt in. Nog een klein beetje chocola in de lucht. Warm en lief. “Morgen ruik ik de bloemen,” fluistert ze.
“En ik hoor de bijtjes zoemen,” fluistert Lila.
“En samen vinden we alles,” zeggen ze tegelijk.
De zon streelt hun wangen. De tuin zucht van tevredenheid. De dag is licht. Het hart is vol. Vrolijk Pasen, fluistert de lucht. In geuren. In glimlachen. In samen zijn.