Er was eens een klein dorpje in het warme hart van Afrika. In dit dorpje woonde een meisje genaamd Nia. Nia was moedig en sterk. Ze droeg altijd een mooie rode doek om haar hoofd. Op een dag hoorde Nia dat de rivier droog was. De dieren en mensen hadden dorst. Nia wilde helpen.
Ze liep naar de oude, wijze baobabboom. De boom had dikke takken en vertelde verhalen. "O, wijze boom," vroeg Nia, "hoe kan ik water vinden?" De boom fluisterde zachtjes: "Volg de zon, lieve Nia. Ze wijst je de weg."
Nia begon te lopen. De zon scheen helder. Nia volgde haar stralen. Ze liep en liep, en haar voeten maakten zachte geluiden op de aarde. Onderweg zag ze een kleine vogel. "Piep, piep," zong de vogel. "Kom met mij," zei Nia, "we zoeken samen."
De vogel vloog voor haar uit. Ze kwamen bij een verborgen bron. Het water glinsterde als sterren. "Water!" riep Nia blij. Ze vulde haar kalebas en gaf de dorstige vogel wat te drinken.
Nia keerde terug naar het dorp. Iedereen juichte. "Dank je, dappere Nia," zeiden ze. Het water stroomde en iedereen was gelukkig. Nia glimlachte, want ze had geholpen.
En zo leerde Nia dat als je moedig bent en je hart volgt, je alles kunt bereiken. En het dorp leefde gelukkig, in de zon en de schaduw van de wijze baobabboom.