In Afrika, in een warm dorp bij een grote baobab, woonde vrouw Amina. Amina lachte vaak. Haar lach was als zon op de grond. Elke dag zong ze zacht: “Luister, luister, kleine wind.”
Op een dag ging Amina naar de markt. Ze droeg een mand. In de mand lag meel voor pap. Ze liep, ze liep, op een rood pad. De wind danste. De wind tikte de mand. Oeps. Een klein zakje meel viel.
Amina keek. “O,” zei ze. Ze zag witte stof op het pad.
Daar kwam Kofi, een kleine jongen. “Amina,” zegt hij, “ik zie wit op de grond.”
“Ja,” zegt Amina, “mijn meel.”
Ook kwam oma Nala. “We maken het goed,” zegt oma. Ze klapt in haar handen: klap, klap.
Amina knielt. Kofi knielt. Oma knielt. Ze maken een kring. Amina pakt een groot blad. Kofi pakt een klein blad. Oma pakt een kalebas.
Ze vegen, ze vegen, heel zacht. Het meel gaat op het blad. Het blad gaat in de mand. Amina zingt: “Samen, samen, hand bij hand.” Kofi lacht. Oma lacht. De wind zucht zacht en wordt stil.
Op de markt koopt Amina ook een mango. “Voor jou,” zegt ze tegen Kofi. “Voor jou,” zegt ze tegen oma. Ze delen, ze delen, hapje voor hapje.
Thuis roert Amina pap. Ze roert en zingt. Ze denkt aan de kring op het pad.
Moraal: Samen helpen maakt kleine zorgen snel klein en het hart blij.