Luister, luister, kleintje. In Afrika, waar de zon warm is en de wind zacht zingt, loopt vrouw Awa over rood zand. Awa lacht. Awa draagt een kalebas op haar hoofd. Tik-tik, tik-tik, zo gaat haar stap.
Bij de grote baobab zit een griot. Hij tikt op een trom. Doem-doem. “Awa,” zegt hij, “breng water naar het dorp. De geitjes hebben dorst.”
“Ja,” zegt Awa. “Ik ga, ik ga.”
Awa loopt langs hoog gras. Het gras wiegt: swish, swish. Een aap springt. “Awa!” zegt de aap. “Ik wil ook water.”
Awa glimlacht. “Kom mee,” zegt Awa.
Bij de rivier knielt Awa. Het water glanst als een spiegel. Plons, plons. Ze vult haar kalebas. De aap krijgt een slok. “Dank je,” zegt de aap. Awa lacht zacht.
Op de weg terug komt een klein kind. Het kind huilt een klein beetje. “Mijn beker is weg,” zegt het kind.
Awa hurkt. “Kijk,” zegt Awa. Ze pakt een groot blad. Ze vouwt het rond. “Hier, een blad-beker.” Het kind drinkt. “Zo lekker,” zegt het kind.
Awa komt bij het dorp. Geitjes drinken. Mensen zingen. De griot trommelt weer. Doem-doem, doem-doem.
Moraal: Als je deelt met een warm hart, wordt de weg kort en het dorp blij.