Milo is twee jaar. Het is avond. De lamp is zacht. Milo zit op het kleed met blokken. Zijn blok valt om. Milo voelt boos.
Zijn buik is warm. Zijn handen zijn strak. Milo stampt zacht met zijn voet. “Boos,” zegt Milo.
Mama komt dicht bij. Ze zit naast hem. “Je bent boos,” zegt mama. “Boos is oké.” Milo kijkt naar mama.
“Waar zit boos?” vraagt mama. Milo legt zijn hand op zijn buik. “Hier,” zegt hij.
Mama zegt: “We doen een rustige adem. In… en uit.” Milo doet mee. Zijn borst gaat op en neer. Mama wrijft zacht over zijn rug.
Milo pakt een kussen. “Ik wil slaan,” zegt Milo. Mama zegt: “Je mag het kussen slaan.” Milo tikt twee keer op het kussen. Dan stopt hij. Zijn handen worden zacht.
“Nu is boos kleiner,” zegt Milo. Mama knikt. “Goed gevoeld. Goed gezegd.”
Samen bouwen ze weer. Milo zet de blokken rustig. De toren staat. Milo glimlacht. “Fijn,” zegt hij. Mama geeft een knuffel. Ze gaan naar bed. Milo hoort zijn adem en voelt zijn warme deken.
Moraal: Als je boos bent, help woorden en rustige adem je weer fijn te voelen.