Milan is vier jaar. Milan zit op de grond in de woonkamer. Hij speelt met zijn blokken. Mama zit naast hem op het kleed. Het is rustig. De zon schijnt zacht door het raam.
Milan pakt een rode blok. Hij wil een toren bouwen. De toren is bijna klaar. Dan valt de toren om. De blokken rollen alle kanten op.
Milan kijkt naar zijn toren. Zijn mondje gaat naar beneden. Zijn wangen kleuren een beetje rood. Milan voelt iets in zijn buik. Hij zucht.
Mama ziet het. Ze schuift zachtjes dichterbij. Ze zegt: « Wat voel je, Milan? »
Milan kijkt naar mama. Hij zegt niks. Een traan glijdt over zijn wang.
Mama legt haar hand op Milan zijn schouder. Ze zegt: « Soms is het verdrietig als iets kapot gaat. Dat is oké. Mama is hier. »
Milan snikt nog een beetje. Mama pakt een blauwe blok en zegt: « Zullen we samen een nieuwe toren maken? »
Milan knikt langzaam. Hij pakt een blokje vast. Zijn handje trilt een beetje. Mama glimlacht en zegt: « Goed zo, Milan. Je doet het knap. »
Ze bouwen samen. Stapje voor stapje. De toren wordt weer groot. Milan lacht. Zijn ogen stralen nu. Hij zegt: « Kijk, mama, het lukt! »
Mama zegt zacht: « Ja, Milan. Jij kan dat! »
Milan geeft mama een knuffel. Zijn buik voelt warm. De toren staat stevig.
Mama fluistert: « Voel je je beter? »
Milan zegt: « Ja, mama. »
Hij zucht diep en sluit zijn ogen even. Mama veegt zijn wang schoon. Samen kijken ze naar de toren.
Soms voel je je verdrietig, maar samen kun je weer blij zijn.