Tom, Sam en Joep zijn samen. Tom heeft een rode bal. “Kijk, mijn bal!” roept Tom blij. Sam lacht. Joep wil ook de bal aanraken.
Joep pakt de bal. Tom kijkt boos. Zijn gezicht is rood. Hij stampt met zijn voet. “Nee! Mijn bal!” roept Tom.
Sam kijkt naar Tom en zegt: “Tom is boos.” Joep kijkt naar Tom. “Tom is boos?” vraagt Joep. Tom zegt: “Ja, ik ben boos.”
Dan komt er een grote spiegel. Het is een magische spiegel. De spiegel is heel mooi en zacht. “Kijk,” zegt Sam, “de spiegel toont jouw gezicht.” Tom kijkt. In de spiegel ziet hij zijn boze gezicht. Zijn ogen zijn groot. Zijn mond is scheef.
Sam zegt: “Tom, boos zijn mag.” Joep zegt: “Boos zijn is oké.” Tom kijkt nog eens naar de spiegel. Zijn gezicht wordt rustiger. De rode kleur wordt zacht. Tom ademt diep in. Hij blaast zachtjes uit.
Joep geeft de bal terug aan Tom. “Samen spelen?” vraagt Joep. Tom lacht een beetje. “Ja, samen!” zegt hij. Sam pakt ook de bal vast. Ze houden samen de bal vast. Ze lachen alle drie.
De spiegel blinkt. “Boos zijn helpt soms. Samen spelen is fijn!” zegt de spiegel. Tom, Sam en Joep knuffelen samen. Ze zijn blij. Ze zijn samen.